De wereld observeren om te begrijpen: kunstenaars en wetenschappers doen het allebei. Zowel de kunst als de wetenschap is in de praktijk een proces van vallen en opstaan en vraagt om verbeeldingsvermogen van wie dit proces beoefent. Maar waar de wetenschap uiteindelijk wel op zoek is naar eenduidige verklaringen, floreert kunst in ambiguïteit en emotie, waardoor meerdere interpretaties mogelijk zijn.
Voor mij is wetenschap een start om te verbeelden. Of omgekeerd: verbeelding is een verlengstuk van onze waarneming en kennis, en ontsluit vandaaruit nieuwe perspectieven en mogelijkheden.
Elk kennisgebied is een bron van imaginatie. De verbeelding opent wanneer je deze kennis artistiek gaat verkennen.
Je ontdekt modellen en principes. Het is het bouwen en bricoleren met deze kennis dat zorgt voor nieuwe ideeën. Je simuleert mogelijkheden. Je transformeert het bestaande.
De Deense schilder Kirkeby, opgeleid als geoloog, bestudeerde de structuur van aardlagen. In Groenland zocht hij naar sporen van vroegere gletsjers. Die historische aardlagen vertaalde hij naar een eigen schilderwerkwijze. Het opstapelen van structuren en verflagen, zoekend, wegvegend en opnieuw overschilderend, soms tot een jaar lang, leidden tot schilderwerken met ‘geschiedenis’. Vanuit zijn kennis in geologie ontstonden fantasielandschappen, waarbij overlappende kleuren, rasters en vlakken transformeren tot rotsen, aardlagen en landschappen.
We namen deze verbeeldende omgang met wetenschap mee in de schilderwerkplaats.
We beginnen met het observeren van meegebrachte aarde uit onze eigen tuin of straat. De variatie aan kleuren, geuren, tactiele sensaties en texturen werkt inspirerend. We laten de leem, aarde, humus en klei los op papier. We maken sporen. We schilderen. We smeren de modder, leem en zand uit tot gelaagde tintent bruin, donkerrood, grijs en zwart, tot het papier poreus wordt.
Met dit aardlagen-concept gaan we vervolgens vrij maar systematisch aan de slag. Het nieuw, steviger papier beschouwen we als een oppervlak met een ‘geschiedenis’, het geheugen van de ondergrond. We verbeelden ons miljoenen jaren, overstromingen, afzettingen van rivieren en zee, ijstijden, erosie, ophoping van organisch materiaal, gletsjers. We beelden niet af maar laten de verf overstromen, uitdrogen, insijpelen, barsten en wegschuiven.
We brengen een tijdsdimensie in het schilderwerk zonder het eindbeeld te voorspellen. We wachten tot een verflaag droog is om er een nieuwe eroderende laag op aan te brengen, we vegen af wat we net aanbrachten ... We onderzoeken zo de reacties van de lagen op elkaar. Wat gaat deze waterachtige laag veroorzaken op de onderliggende laag? Neemt deze de verf mee? Wat blijft er over van de gedroogde pasteuze textuurlagen na het wegvegen met een vod?
werk van Eveline Colpaert, Marleen Van Der Beken, Greet Dewulf, deelnemers van de schilderwerkplaats



